Where do we go from here; een beknopte wegenatlas voor het theater

beschouwingen — simber op 3 mei 2012 om 21:25 uur
tags: , ,

(Voor het tijdschrift Boekman, najaar 2011)

De economische crisis heeft de Londonse horeca hard geraakt. De sjieke, onbetaalbare toprestaurants blijven goede zaken doen, maar de eenvoudige middenklasserestaurants hebben het zwaar. Vele moeten hun deuren sluiten. Maar tegelijkertijd is er wat de Guardian een ‘food revolution’ noemt losgebroken. Food trucks rijden met hun mobiele keuken en restaurant naar de meest onverwachte plekken, mensen serveren eenvoudige maaltijden voor betalende gasten in hun huiskamer en gespecialiseerde koks duiken een keer per maand op in bevriende restaurants.

Nee, dit wordt geen verhaal over eten en ook geen verhaal over dat iedere crisis een kans biedt. Maar de parallel is duidelijk. Ook in de kunsten in Nederland is het crisis. En ook in de kunsten zullen als reactie de komende jaren nieuwe vormen als paddestoelen uit de grond rijzen. Hoe zien die nieuwe vormen eruit op het gebied van theater? En zullen die met name de kleinere theatergezelschappen kunnen helpen bij het verwerven van nieuwe inkomsten en zo hun voortbestaan?

Laten we om te beginnen eens kijken naar de huidige ontwikkelingen en die extrapoleren. Theatermakers zijn al tijden bezig met het verkennen van het terrein buiten de gebaande paden van de halfjaarlijkse nieuwe voorstelling. Voor een deel ligt dat op het gebied van het alweer een paar jaar hoogtij vierende ‘ervaringstheater’, waarbij het publiek niet langer veilig in het theaterpluche zit, maar meegenomen wordt op een intiemere, meer zintuigelijke reis. Voor een ander deel zijn het diverse vormen van vaak eenmalige theatrale happenings.

Maar ook in onderwerpkeuze zie je nieuwe ontwikkelingen. Het theater behandelt vaak de grote, meer abstracte thema’s als oorlog, verraad en waardigheid. Wat gebeurt er als theatermakers zich gaan bezighouden met veel concretere kwesties? Vanuit dit soort observaties kunnen we misschien een volgende stap maken. Is er een omslag denkbaar in het Nederlandse theater naar een aanpak waarin de voorstelling niet langer centraal staat, maar waarin een avond theater een verzamelterm is voor een nog veel bontere verzameling gebeurtenissen dan nu het geval is?

Om te beginnen het ervaringstheater. Dit beschrijft een genre waarin bezoekers vaak niet op een stoel in een theater zitten, maar bijvoorbeeld op een bed liggen in een eenvoudige hotelkamer, of achter een computer zitten chatten met hun blote voeten in het zeewater (beide voorbeelden uit voorstellingen van Dries Verhoeven), worden meegevoerd in in rondrijdende constructies (Boukje Schweigman) of met spelende kinderen mee wandelen (Alexandra Broeder). De trend lijkt inmiddels over zijn hoogtepunt heen – ervaringstheater is vaak extreem kleinschalig en dus duur om te maken – maar de invloed reikt ver.

Continue reading “Where do we go from here; een beknopte wegenatlas voor het theater” »

De doelen van cultuurbeleid

cultuurbeleid,meningen — simber op 3 mei 2012 om 21:18 uur
tags: ,

(Voor het magazine van Kunsten ’92, najaar 2011)

In het intellectuele deel van de kunstsector wordt traditioneel veel geklaagd over de visieloosheid van het Nederlandse cultuurbeleid. Iedere minister of staatssecretaris verzint nieuwe regels, beleidslijnen en instrumenten, maar welk overkoepelend doel al die maatregelen tezamen moeten bereiken blijft altijd wat schimmig.

Ook bij de huidige bezuinigingen klinkt weer de roep om visie, al wordt die behoorlijk overstemd door het luide gekrakeel over linkse hobbies en onbeschaafden. Toch zou een klein beetje helderheid over wat de overheid nu wil bereiken met de kunst die ze nog wenst te ondersteunen erg van pas komen. Te meer omdat er tegenwoordig –vooral vanuit economische hoek– beweerd wordt dat het huidige Nederlandse cultuurbeleid ineffectief zou zijn. De eerste logische vraag zou dan toch moeten zijn: effectief waarin? Welke doelen worden niet bereikt?

Het helderst werd deze mening geuit door de cultuureconoom Pim van Klink, die begin september in NRC werd geïnterviewd over een (oud) onderzoek naar diverse Europese subsidiestelsels.

Het komt erop neer dat Van Klink het Nederlandse cultuurbeleid verwijt dat het er niet in slaagt om Engelse doelstellingen te verwezelijken. Dat haalt je de koekoek. Het Nederlands cultuurbeleid was echter heel lang heel erg goed in het verwezenlijken van de Nederlandse doelstellingen. Want onlangs de roep om een visie op cultuurbeleid hadden we die wel degelijk: Nederland wilde een breed, divers cultuuraanbod, goed gespreid over het land. En voila: we hebben het breedste, meest diverse en best gespreide cultuuraanbod ter wereld. De conclusie moet dan onvermijdelijk luiden dat het Nederlandse cultuurbeleid een lichtend voorbeeld voor de wereld moet zijn.

Kortom: ook Van Klink kampt met de pathologische neiging om in Nederland alleen over de middelen van het cultuurbeleid te kunnen praten en niet over de doelen. Als Van Klink had gezegd dat we de Nederlandse beleidsdoelstellingen moeten wijzigen dan heeft hij een punt, maar dat kan hij niet onderbouwen als onderzoeker. Dan begeeft hij zich op het terrein van de politiek.

Het kan geen kwaad om eens te kijken naar de verschillende doelstellingen van cultuurbeleid in de landen om ons heen. In Groot Brittannië bijvoorbeeld staat het publiek veel meer centraal. De diverse regeringen (Engeland, Schotland en Wales) hanteren doelstellingen als “deelname aan een rijkgeschakeerd cultureel leven aanmoedigen” of “de toegang tot kunst en cultuur voor iedereen te waarborgen.” Het zijn algemeenheden, maar uit dit soort formuleringen valt heel goed te verklaren waarom het Verenigd Koninkrijk op dit moment een florerende sector community art heeft, maar weinig internationaal aansprekende topkunst.

Of neem Frankrijk. Daar gaat het om “onderhoud en exploitatie van het cultureel erfgoed, het aanmoedigen van artistieke creativiteit en een optimalisering van de kunstbeoefening en het kunstonderwijs.” Dit sluit goed aan bij de grote instituten die in Frankrijk op cultureel gebied de toon bepalen en op de zeer sterke neiging om Frankrijk als ‘culturele uitzondering’ te positioneren binnen het angelsaksische vrijhandelsregime.

Het lijkt erop dat er in Europa grofweg twee hoofdstromingen bestaan, een waarbij het cultuurbeleid wordt bekeken vanuit de kunst, en een waarbij de overheid het perspectief kiest van het publiek. Met dit inzicht wordt ook duidelijk waarom het gesprek over visie zo urgent is: de huidige regering wil een fundamentele omschakeling maken van het ene gezichtspunt naar het andere. Het publiek, dat tot voor kort in het cultuurbeleid eigenlijk niet voorkwam, komt ineens centraal te staan.

Maar geen enkele politicus durft te zeggen: vroeger wilden we dít, maar nu willen we iets anders. En omdat die keuze niet expliciet gemaakt wordt doen veel beleidsmakers alsof we het de hele tijd wel ongeveer met elkaar eens zijn. Dat leidt tot een Orwelliaanse dehistorisering: de huidige doelstellingen zijn er altijd geweest. En tot de conclusie dat het huidige cultuurbeleid mislukt is.

En zo dreigt het in Nederland te gaan zoals het altijd gaat: de visie hobbelt achter het beleid aan. Staatssecretaris Zijlstra heeft in zijn maatregelen duidelijk gemaakt dat hij zowel de topinstellingen wil sparen als de spreiding handhaven. Dat betekent dat hij de breedte en diversiteit van het aanbod deels opgeeft. Maar dat is een beslissing die hij niet durft te nemen, dus laten hij het gewoon maar gebeuren.

Natuurlijk heeft de staatssecretaris het een en ander geformuleerd over wat hij wil bereiken, maar het is vrij makkelijk om beleid te scheiden van visie. Zodra je in een geformuleerde doelstelling een vergrotende trap leest gaat het om beleid. In Zijlstra’s brief Meer dan Kwaliteit staat bijvoorbeeld: “Het kabinet wil dat culturele instellingen en kunstenaars ondernemender worden en een groter deel van hun inkomsten zelf verwerven. Culturele instellingen moeten minder afhankelijk worden van de overheid en daardoor flexibeler en krachtiger worden.” Op die manier doe je alsof iedereen het er al over eens is welke eigenschappen kunstinstellingen moeten hebben, en maak je van besturen een zaak van bijsturen. Maar beleid is relatief en visie is absoluut.

Was de invulling van de bezuinigingen niet heel anders geweest als ‘brede toegankelijkheid van een divers cultureel aanbod’ het kerndoel was geweest? Dan kun je het hebben over vragen als: is spreiding een doel, of een middel ter vergroting van de toegankelijkheid? Of: vergroot je de toegankelijkheid door die te zoeken in de breedte (voor elk wat wils) of in de diepte (zo hoog mogelijke kwaliteit bij een beperkt aantal instellingen)?

Zo blijven we doormodderen. De overheid blijft cultuur steunen, maar niemand kan precies zeggen waarom. Zolang dat zo blijft staat de deur naar verdere bezuinigingen wijd open.

De gegevens over Europees cultuurbeleid zijn ontleend aan de website Culturalpolicies.net

Recensie: ‘Husbands’ van Toneelgroep Amsterdam

“Afgezien van de seks zijn jullie gewoon veel leuker”, zegt Harry tegen z’n makkers als hij besluit zijn vrouw te verlaten. Het waren vier dikke vrienden, maar nu is er één dood en op de begrafenis moet de priester op een papiertje spieken hoe hij ookalweer heet. Husbands, de nieuwe voorstelling van Toneelgroep Amsterdam, volgt de overgebleven drie in het lost weekend dat daarop volgt.

Husbands is gemaakt op uitnodiging van het Europese Prospero-project, waarbij een speciaal gemaakte voorstelling langs zeven Europese steden trekt. Opnieuw kiest regisseur Ivo van Hove, na Faces en Opening Night, voor een bewerking van een film van John Cassavetes, maar deze keer blijft de spanning en de tragiek van die eerdere voorstelling achterwege.

De eerste helft is erg mooi. Het zijn lome, losse scènes, met een minimum aan verhaal en context. De drie vrienden willen niet naar huis, doen wedstrijdjes, drinken te veel, zingen liedjes, laten een meisje meezingen, maar sabelen haar dan neer, hebben een kater, maken ruzie en leggen het weer bij. Hans Kesting, Roeland Fernhout en Barry Atsma hebben zichtbaar lol in hun fysieke rollen en onderlinge competitie – met krijt turven ze hun basketbal-score op de muur. Het is eenvoudig, maar vitaal toneel over ongecompliceerde mannenvriendschap op een breekpunt.

Ze bewegen zich in een ruimte die alles tegelijk kan zijn: huiskamer met banken, kroeg (met een tap bovenop een piano), sportschool, hotel. Decorontwerper Jan Versweyveld gebruikt minicameraatjes die de acteurs op hun gezicht geplakt hebben, zodat het publiek op groot scherm kan zien wat de spelers zien. Het is een aardige gimmick, een alternatief voor de zichtbare of verborgen camera’s die altijd in Van Hove’s voorstellingen voorkomen. De muziek is van Bruce Springsteen, met Born to run als leitmotief.

Als de drie in een opwelling besluiten om naar Londen te gaan kantelt de voorstelling. Eenmaal daar duikelen ze alledrie een meisje op, die allemaal worden gespeeld door Halina Reijn. Dat doet ze geweldig, soms wisselt ze van personage met niet meer dan een opgetrokken bovenlip, maar alle mannen moeten nu één voor één hun crisis doormaken en dan blijkt dat ze individueel een stuk minder interessant zijn dan met z’n drieën bij elkaar.

De scène tussen Reijn en Atsma boeit nog het meest, een verknipt sexueel verleidingsspel dat nergens erotisch wordt, eerder wanhopig en melancholiek.

Twee van de mannen keren uiteindelijk terug naar vrouw en kinderen om hun rol als husband te vervullen, één blijft er achter. Bruce zong het al: “Everybody needs a place to rest/Everybody wants to have a home”.

Husbands van Toneelgroep Amsterdam. Gezien 18/4/12 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 12/5. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Recensie ‘Hamlet’ van het Noord Nederlands Toneel

(NB: ook de Hamlet Checklist is geüpdate naar aanleiding van deze voorstelling.)

“Waar is de uitgang?”, vraagt Klára Alexová keer op keer. En iedere keer wijst Hamlet (Peter Vandemeulebroecke) naar één van de deuren van het theater: “Daar.” Terwijl alle andere acteurs een min of meer coherente versie van Hamlet spelen is Alexová meer een performance-kunstenares, die, steeds op dezelfde plek zittend , onwillekeurige bewegingen maakt, zich krabt en maniakaal voor zich uit staart. Een krankzinnige.

Nu speelt gekte inderdaad een grote rol in Shakespeare’s beroemdste stuk, maar in de versie van het Noord Nederlands Toneel wil regisseur Ola Mafaalani die thematiek koppelen aan de moderne omgang met patiënten in de geestelijke gezondheidszorg – ze deed, samen met journalist Noraly Beyer research in psychiatrische inrichtingen. En hoewel het conceptueel hier en daar best knap in elkaar zit, wil het maar geen sprankelend theater worden.

Het grootste probleem zit hem in ouderwetse, plechtstatige vertaling van Bert Voeten, die eigenlijk alleen door Joke Tjalsma tot bezield Nederlands wordt gemaakt. Zij speelt raadsheer Polonius, die door Hamlet per ongeluk wordt vermoord – hij denkt dat het het zijn oom Claudius is hij van zijn overleden vader moet doden.

Deze moord is het keerpunt in de voorstelling. In het stuk wordt Hamlet hierna weggestuurd naar Engeland, bij het NNT komt hij terecht in een isoleercel van een inrichting, met een vriendelijke dokter (wederom Tjalsma) die zegt: “Het gaat niet zo goed met u.” Alle overige personages zijn dan gevangen in hun eigen waanzin, maar tegelijk zijn ze met steeds herhaalde zinnetjes de stemmen in Hamlets hoofd. Tjalsma vertelt in korte zinnen over noodopvang en katatonie, een verademing van menselijkheid na het gekunstelde toneel ervoor.

Het decor (van André Joosten Ko van den Bosch) bestaat uit verrijdbare dubbele wanden van plexiglas die met rook gevuld kunnen worden. Soms geeft dat een mooi effect met dubbele spiegelbeelden en half zichtbare gedaantes, maar even vaak lijken ze rommelig en willekeurig in de ruimte geplaatst, waardoor ze de spelers in de weg zitten in plaats van helpen.

Maar het grootste probleem is toch inhoudelijk. Hamlet is toch ook een stuk over een moreel dilemma, geformuleerd in de dialoog ná “zijn of niet zijn”: moet de mens het lijden van het leven verdragen of vechtend ten onder gaan. Voordat hij – of het publiek – echter kan kiezen, wordt hij geïsoleerd. De rest van het stuk trekt aan hem voorbij. Pas aan het eind, als hij sterft kan Alexová opstaan, en vrij dansen over het toneel. Zij is de andere Hamlet, die van het “niet zijn”. Haar verhaal is mooi, het zijne beknot.

Hamlet van het Noord Nederlands Toneel. Gezien 11/4/12 in Hoorn. Te zien in Amsterdam (Stadsschouwburg) 18 t/m 21/4. Meer info op www.nnt.nl

Recensie: ‘San Francisco’ van De Warme Winkel

Parool,recensies — simber op 31 maart 2012 om 23:03 uur
tags: , , ,

Het is mislukt. Er is geen voorstelling. Bedremmeld, verontschuldigend en een beetje huilerig staan Vincent Rietveld en Mara van Vlijmen het publiek te woord in een afgetrapt zaaltje in een kraakhol aan de Spuistraat. Een voorstelling over de crisis hadden ze willen maken. Maar het geld was met de vorige productie al opgemaakt, de tijd ging verloren met het schrijven van een eindeloze serie subsidieaanvragen en druk om als jong, hooggeprezen en succesvol gezelschap een nieuw meesterwerk te moeten afleveren gaf de nekslag.

Nu zijn de verwachtingen rondom een nieuwe voorstelling van De Warme Winkel inderdaad hooggespannen, want dit is per slot van rekening de meest fantasierijke en uitbundigste theaterclub van het land. Tussen hun grootschaliger werk door (zoals de vijfdelige serie over Oostenrijkse kunstenaars die afgelopen najaar als Weense Herfst te zien was) maken ze nu voor de tweede keer een kleinere voorstelling op locatie in Amsterdam, na Luitenantenduetten vorig jaar.

Dat van die mislukking is natuurlijk een doorzichtige truc – die ze alsnog bijna een uur volhouden, maar het geeft Rietveld en Van Vlijmen de kans om te vertellen wat voor voorstelling het had moeten worden. Steeds verzinnen ze nieuwe imaginaire scènes, in het begin heel flauw, maar gaandeweg steeds uitzinniger: de crisis als enorme ijzeren bal die kleine mannetjes oprolt, een kookwedstrijd met tulpebollen, Rijkman Groenink laten zien als mens, een middeleeuwse fabel over schulden, enzovoort enzovoort.

En alles wordt steeds alleen maar verteld door de twee spelers, soms enthousiast elkaar steeds onderbrekend met nieuwe geestige ingevingen, soms beeldend en overdreven gedetailleerd verteld, met verwijzingen naar andere theatermakers, soms als een vinnig debat.

En terwijl het heel erg grappig is komen zo alle benaderingen van de crisis door de kunst aan bod; alle clichés (“een voorstelling over de crisis moet ook de crisis als kans laten zien”), het moralisme (“bankiers zijn ook mensen”), cynisme, naïviteit en berusting.

Maar juist door alles alleen maar te suggereren maakt De Warme Winkel misschien wel het ultieme statement over de crisis. Meer dan verbeeldingskracht en relativering zijn niet nodig. De voorstelling is met twee uur wel erg lang, maar maakt één ding glashelder: voor de ware kunstenaar is crisis een loos begrip.

San Francisco van De Warme Winkel. Gezien 30/3/12 in de Spuistraat 199. Aldaar t/m 28/4. Kaartverkoop via Frascati. Meer info op www.dewarmewinkel.nl.

Recensie: ‘Tartuffe’ van NT Gent en Toneelgroep Amsterdam

Frieda Pittoors staat voorop een leeg toneel energiek het Wilhelmus te zingen. Ze heeft een oosteuropees accent, maar roept en zingt een opeenstapeling van Hollandse liedjes en clichéfrases en Toon Hermans-gedichtjes, in de categorie: “het leven is een feestje, je hoeft alleen zelf nog maar de slingers op te hangen.” Nou ja, díe zegt ze niet, maar die zou even later wel toepasselijk blijken.

Voor de tweede keer dit seizoen waagt Toneelgroep Amsterdam zich aan een komedie van Molière en voor de tweede keer is het resultaat ronduit teleurstellend. Tartuffe wordt geregisseerd door de Bulgaarse Dimiter Gotscheff, met een spelersgroep die voornamelijk bestaat uit acteurs van de Vlaamse coproducent NT Gent. Gotscheff voegde teksten van zijn Duitse leermeester Heiner Müller toe, en hoewel het in het begin lijkt te gisten blijken Müllers abstractie en Molières hoogstaande poep-en-pieshumor op rijm elkaar al snel hevig af te stoten.

Het decor (van Katrin Brack) is in ieder geval prachtig. Na Pittoors’ monoloog schieten een stuk of tien confettikanonnen minuten lang hun kleurige munitie hoog het toneel over. Een kleurig, dwarrelend feest, dat door de familie die er langzaam onder bedolven wordt onaangedaan wordt gadegeslagen. De verveling van het burgerlijk hedonisme werd zelden zo effectief verbeeld. Na afloop druipen de slingers uit de nok en ligt het toneel vol papiersnippers.

De familie is die van gezeten burgerman Orgon (Wim Opbrouck), zijn luxepaardje van een vrouw, zijn dommige, gemene kroost en de gepijnigde zenuwpees van een zwager (Eelco Smits). Het huishouden wordt nogal op stelten gezet door de komst van een vreemdeling, Tartuffe (Koen de Sutter). Zijn eerste optreden is nogal veelbelovend, een onnavolgbare stapeling van wikipediaweetjes, bijbelparafrases, woordspelingen en vaag moreel gezwatel, maar precies de toon van vrijblijvend engagement en naïef positief idealisme die goeroe’s altijd aantrekkelijk maakt.

Orgon raakt ervan in een soort spirituele manie, trekt zijn nette pak uit en laat Tartuffe toe in alle facetten van z’n leven. En daar begint het plotje van Molière en daarmee ook de problemen. Want Molière gaat niet over abstracties, maar over conventies en in deze voorstelling bijten die elkaar. De spelers lijken gevangen in een corset van grotesk, mallotig spel, dat niet past bij de eerder ingezette weldoordachte satire.

En zo trekken twee uren gedoe over ongewenste huwelijken, ontrouw en hypocrisie voorbij, terwijl ongemak en ergernis groeien. Jammer van de eerste paar schitterende scènes, en jammer van Molière.

Tartuffe van NT Gent en Toneelgroep Amsterdam. Gezien 22/3/12 in de Stadsschouwburg. Aldaar t/m 31/3 en 16-19/5. Tournee. Meer info op www.toneelgroepamsterdam.nl

Pophelden in het theater

Voor (ex-)rocksterren lonkt het theater. Dit weekend gaat de voorstelling Lebensraum in première, een samenwerking tussen regisseur Jakop Ahlbom en rockgroep Alamo Race Track. Ook andere popmuzikanten, zoals Richard Janssen of Roald van Oosten, slechten de muur tussen de twee genres. Maar de zoektocht naar het bandjesgevoel blijft. “Theater voelde als een nieuw territorium voor mijn fantasie.”

Het zijn drie muzikanten van verschillende generaties. Richard Janssen was de frontman van Fatal Flowers, een van de beste Nederlandse bands van de jaren tachtig; Roald van Oosten werd bekend met Caesar in de jaren negentig; en Leonard Lucieer staat nu stevig in de belangstelling met zijn band Alamo Race Track. Allemaal werden ze gevraagd om mee te werken aan een theatervoorstelling en bij allemaal bleef het niet bij één keer.

“Ik werd in 2002 door Stef Kamil Carlens van Zita Swoon gevraagd of ik hem kon vervangen op tournee”, vertelt Janssen, “Hij werkte mee aan de voorstelling Carmen van Toneelgroep Amsterdam, waar ze een hele band hadden meespelen op het toneel. Via een paar acteurs – theater is net als popmuziek een klein wereldje – kwam ik in contact met regisseur Marijke Schermer. Voor haar voorstelling Orestes maakte ik een geluidsdecor dat de acteurs zelf konden bespelen. Dat vonden ze zo leuk dat ze zeiden: maak de rest van het decor ook maar. En dat ben ik blijven doen voor al haar voorstellingen.”

Bij Van Oosten liep het contact via toneelspeler Ingejan Ligthart Schenk. “Hij nodigde Caesar uit om te komen spelen op het festival Fin de Saison van zijn gezelschap ’t Barre Land en Discordia op het Westergasfabriekterren. Een paar jaar later kwamen we elkaar weer tegen en dat was eigenlijk een heel goed moment voor mij. Caesar was net uit elkaar en ik was op zoek naar een volgende stap. Ingejan en ik hebben toen in 2008 samen een voorstelling gemaakt, Wooff Wooff, een combinatie van theater, muziek, beeldende kunst en literatuur. Het voelde als een nieuw territorium voor mijn fantasie.”

De samenwerking tussen Jakop Ahlbom en Alamo Race Track kwam iets doelgerichter tot stand: “Jakob wilde een voorstelling maken met live muziek”, vertelt Lucieer, “en dan niet met een paar losse muzikanten, maar met een echte band. Toen is hij gewoon in Concerto of Get gaan zoeken naar Nederlandse bands en bij ons uitgekomen. Tegelijkertijd zaten ook wij in een rare tussenperiode: twee bandleden waren vertokken en dat was voor ons een aanleiding om iets heel anders te gaan doen. En zo ontstond twee jaar geleden de voorstelling Innenschau.”

Lucieer is inmiddels volop aan het repeteren voor de volgende samenwerking met Ahlbom: Lebensraum, gebaseerd op het werk van Buster Keaton. “Met Jakop praten we in het begin vooral veel over muziek of goeie films om zo te komen tot een sfeer van de voorstelling. Bij Keaton denkt iedereen aan de pianobegeleiding bij stomme films, in onze voorstelling probeert de muziek iets meer het drama te volgen. Jakop neemt alle repetities op op video en ’s avonds kijken we samen naar wat werkt en wat niet. De muziek of liedjes die dan geleidelijk ontstaan, moeten in deze laatste weken gemonteerd worden in de voorstelling. Dit keer is het iets lastiger omdat niet de hele band op het toneel staat, maar alleen Ralph Mulder en ik. Dus nu zijn we aan het puzzelen hoe we alles dat we bedacht hebben live gaan doen. We hebben soms handen tekort.”

Waar Lebensraum een gelijkwaardige samenwerking is tussen autonome theatermakers en musici werkt Janssen tegenwoordig als vaste geluidsontwerper van regisseur Susanne Kennedy op een andere manier: “Ik verbaas me er altijd over als ontwerpers los van elkaar werken en niet bij de repetities zijn. Het belangrijkste voor het geluidsontwerp is toch de dramaturgie: een theatervoorstelling moet een totaalkunstwerk zijn, met één gedachte. Ik noem mezelf heel bewust geluidsontwerper. Als ik aan een voorstelling werk, heb ik geen eigen muzieksmaak of stijl. Ik ben er vanaf de eerste repetitiedag bij, waardoor er wederzijdse invloed is tussen geluidsontwerp, beeld en regie. In popmuziek vond ik het ook altijd interessant dat er veel kunstvormen bij elkaar komen, naast muziek ook poëzie, performance, fotografie en video. Zowel theater als muziek zijn het best als het allemaal in elkaar grijpt.”

Van Oosten is van alledrie het meest aan het experimenteren met nieuwe mengvormen. “Ik heb in het theater op heel verschillende manieren gewerkt: soms maakte ik een soundtrack, zoals voor een film, soms is het een creatieve samenwerking, soms sta ik op toneel met liedjes op basis van andermans teksten. Ik heb al muziek gemaakt van Martin Crimp, Edgar Allen Poe en Emily Dickinson. Tegelijk heb ik heel veel voorstellingen gezien en zo manieren geleerd om méér te vertellen dan alleen m’n eigen emotie. Caesar was toch een echte jaren negentig-band, die emotionele liedjes met veel energie eruit gooide.”

“Maar mijn droom is een creatieve club hebben die op vaste avonden op aparte lokaties mensen meeneemt naar een andere wereld. Dat is voor mij persoonlijk de belangrijkste kracht van theater, terwijl je tegelijk wordt verrast en ontroerd en wordt uitgedaagd in je denken. Ik denk dat ik dat nu gevonden heb met het project Soonday&Moonday, waarmee we eind deze maand op Tweetakt staan.” Dus toch weer een soort bandje, zij het een bandje dat niet alleen muziek maakt.

Ook Janssen ziet in de collectieve aanpak het bandjesgevoel terugkeren: “Misschien zijn we met Susanne en haar vaste ontwerpers en actrice Çigdem Teke ook wel een soort band, met Susanne als de lead. Ik vertaal wat Susanne voor vormideeën heeft in geluid.”

Maar hoewel de manier van werken dus erg overeenkomt, blijven de twee werelden sterk gescheiden. “Ik vond dat erg opvallend”, zegt Lucieer, die met vader Rudolf, zus Jara en broer David uit een echte theaterfamilie komt. “Het is ons vaste publiek grotendeels ontgaan dat we een theatervoorstelling hebben gemaakt. Het is ook een groot verschil in planning: theater wordt soms wel twee jaar vooruit gepland, soms wel. Als band kan dat niet; onze laatste plaat is net uit in Duitsland, en we hebben er een aantal keer opgetreden. Afhankelijk van het succes daar beslissen we op heel korte termijn dat we teruggaan. Maar als een theatervoorstelling succesvol is moet je hopen dat je volgend jaar terug mag komen.”

Maar ook op een dieper niveau zijn de verschillen groot. Lucieer: “Muziek wordt begrepen en ervaren op een elementair niveau. Theater gaat meer over ideeën en achterliggende thema’s” Van Oosten: “Wat ik zag bij ’t Barre Land sprak me enorm aan: muziek kon onderdeel zijn van een enorm verhaal, met een visuele en intellectuele dimensie. Generaliserend gezegd hebben popmensen meer een do it yourself-mentaliteit, ze doen alles van schrijven tot plaat opnemen tot promotie. Ik heb wel geleerd van de professionaliteit en de organisatiegraad van theater. Veel jonge groepen moet meerjarenplannen schrijven en dat helpt enorm om navelstaarderij te voorkomen. De Warme Winkel of Marjolijn van Heemstra hebben enorm goed voor ogen waar ze naartoe willen, dat vind ik inspirerend.”

Is er dan ook verschil in het soort mensen? “Popmuziek is meer familie en theater meer een pleeggezin”, zegt Janssen. “Sommige bands, zoals De Dijk, staan rustig dertig jaar samen op het podium. In het theater werk je veel meer op projectbasis: dan ben je twee maanden elkaars beste vriend en daarna is het weg. Er zijn ook veel meer vrouwen in het theater, dat maakt het iets minder ouw-jongens-krentebrood.”

En nemen de popmuzikanten nog een beetje theater mee in hun eigen werk? Lucieer: “Je merkt wel dat theatereffecten goed werken.” Lachend: “Jakops jeuken om onze optredens onder hand te nemen. Maar zelf vind ik vind het ook mooi als er gewoon een band staat zonder opsmuk. Het moet wel bij je passen.”

Lebensraum van Jakop Ahlbom en Alamo Race Track gaat op 23/3 in première in de Toneelschuur in Haarlem. Meer info op www.jakopahlbom.nl

Soonday&Moonday van Ghosttrucker en Fauna van Sanne van Rijn – beide met Roald van Oosten – zijn te zien op festival Tweetakt in Utrecht. Meer info op www.tweetakt.net

Silent planning; A letter from The Netherlands

beschouwingen,cultuurbeleid,english — simber op 13 maart 2012 om 22:33 uur
tags: , ,

(I wrote a follow-up to my first ‘Theaterbrief’ from The Netherlands for the wonderful people from TeaterTanken in Oslo, who last november invited me (along with Eric de Vroedt and Manja Topper) to explain what’s going on in The Netherlands for a surprisingly large and dedicated audience. They wanted to be kept up to date of the developments, resulting in this rather gloomy overview. Earlier today Nachtkritik published the German translation.)

It’s been a strange few months. In June the entire arts world stood united against the government’s austerity program and the arts cuts, but soon after the protest dissipated and the last few months everybody has been remarkably silent, if not to say apathetic. What you see is Dutch consensus-culture hard at work.

Artists like Johan Simons and Jonas Staal have warned about this for some time: the Dutch lack a mechanism to demonstrate their conflicts while leaving them intact. The strong urge to find middle ground, to dissolve our disputes, to working out solutions leaves us vulnerable to compromising our (moral) principles. Even the arts, which in other countries often are the natural arena for social conflict, are not immune to this predicament. “Noone speaks”, said Jan Joris Lamers –venerated innovator of the Dutch avant-garde theatre– in  an interview, “It seems like you would invalidate yourself by speaking.”

And so, after the anger was vented, all the artists and arts institutions quietly went to work on their grants applications. The big institutions needed to hand in their applications on February 1st, the applications of the small groups are due on March 1st. Some plans are still shrouded in secrecy, but most of the new projects and intentions are now becoming public.

Continue reading “Silent planning; A letter from The Netherlands” »

Interview Peter de Graef

interviews,Parool — simber op 13 maart 2012 om 12:15 uur
tags: , , ,

Schrijver, acteur en regisseur Peter de Graef is al jaren populairder in Nederland dan in zijn thuisland België. De laatste jaren valt hij vooral op als toneelschrijver. Eerder deze maand gingen zelfs twee stukken van zijn hand in première op dezelfde dag: Valangst bij Matzer Theaterproducties en Boiling Frog bij Toneelgroep Oostpool. Twee stukken met opvallende overeenkomsten, beide binnenkort in Amsterdam te zien.

“De twee stukken zijn inderdaad in een periode geschreven dat ik over dezelfde dingen nadacht en boeken las”, vertelt De Graef in een Amsterdams café. “Boiling Frog kwam eerst, maar Valangst heeft dezelfde thematiek. Je kunt wel zien welke boeken ik toen las. Welvaart zonder groei van Tim Jackson en The big short van Michael Lewis. In beide stukken zit mijn grote verbijstering over de kredietcrisis vervat.”

Hoewel ze aan de oppervlakte verschillen (Valangst is een huwelijksdrama voor drie personages met scènes van De Graef en Gerardjan Rijnders en Boiling Frog is een groteske zwarte komedie met een grote cast) zijn de onderliggende thema’s identiek: zijn de waarden die onder het huidige consumptiekapitalisme liggen nog houdbaar en zijn er alternatieven? Zoals altijd bij De Graef wordt de inhoud met veel humor gebracht, maar worden er in de loop van het stuk stevige uitspraken gedaan.

“Het begon met mijn vraag waar het verschil vandaan komt tussen de rente op een spaarrekening en het rendement op aandelen. Dat komt door outsourcing en slechte werkomstandigheden in lage-lonenlanden. Maar dat vergeten we liever. Dus ik heb die tekst opgenomen in Valangst, want ik wil dat wel laten weten, en ik hoor dat niet in de media. We denken daar niet meer bij na. Zoals we vroeger snoeppapiertjes uit het raam van de auto gooiden.”

“Ik vind het wel raar om dit soort dingen te zeggen als Peter de Graef. Normaal verstop ik mijn meningen in een personage met beperkingen, emotioneel of relationeel, die we uit het verhaal kennen. Dan staat het tussen aanhalingstekens, en kun je het door andere personages laten aanvechten. Want ik heb ook een tegenovergestelde mening, een meer Boeddhistische blik, dat alles gaat zoals het gaat en dat dat goed is. Alleen vanuit de beperking van het ego waarin we zijn vastgekluisterd zien we dat niet. Dat is de oude filosofie van Advaita, die een van de personages uit Boiling Frog tegenover het gefulmineer tegen beleggers zet.”

De Graef schreef beide teksten in opdracht. “Ik vraag daar anderhalf jaar voor. Een half jaar om te schrijven en dan nog zoiets om het te laten liggen. Maar bij Oostpool wilde ik een maatschappelijk experiment aangaan. Al die mensen werken te hard, dus ik wilde met de acteurs tien dagen lang ons terugtrekken en niks doen. Geen muziek, geen televisie, geen boeken. Alleen briefjes en gesprekken. Wat gebeurt er dan met je? Maar we kregen het niet gepland. Tien dagen werd vijf, werd drie. Toen werd het meer een soort workshop, maar zelfs die dagen heb ik de groep niet de hele tijd bij elkaar weten te houden.”

“Uiteindelijk zijn dat zulke kanjers van acteurs en uit een improvisatie kwam iets naar boven waarmee ik aan de slag kon; een machtsspel tussen Bianca van der Schoot en Kirsten Mulder. Dat heb ik op papier heel vet ingezet en dan neemt de intuïtie het over.”

“Het is leuk om te schrijven voor Nederlandse groepen. Het worden echt andere teksten, want Nederlands is een andere dialoogtaal dan Vlaams, met van die snelle een-tweetjes tussen personages. Ik denk ook al aan de acteurs die het moeten uitspreken, maar uiteindelijk blijft het mijn taal. Daarom zeg ik altijd tegen de acteurs: parafraseer! Ze moeten het van zichzelf maken. Als ik zelf regisseer kijk ik bij het repeteren het script niet meer in. Dan wil ik alleen maar luisteren.”

In beide stukken zit een vergelijkbaar tekstje over het concept bezit. In Valangst: ‘Iedereen weet dat we bezitloos geboren worden en op dezelfde manier dood gaan. Toch doen we alsof iets van ons is…’ “Het is toch een van de taken van de kunst om te vertellen wat nog niet gehoord is. Als ik toneel maak voor kinderen zeg ik altijd wat ik graag gehoord zou hebben toen ík kind was maar die me niet verteld zijn.”

“De basis voor drama is altijd het kinderlijke, het meevoelen met angst en gruwel van de personages. In Boiling Frog zit bijvoorbeeld een vreselijk personage, die als in een sprookje van Roald Dahl ervanlangs krijgt. Maar omdat het volwassen personages zijn, kan ik ze enorm elegante en intelectualistische replieken in de mond schuiven, maar de basis van het drama is het kinderlijke. En ik heb de behoefte om aan alle kinderen van de wereld dingen te vertellen die eigenlijk officieel verzwegen blijven.”

“Theater is toch bij uitstek de plek voor het gedachteexperiment? En ik hoef geen verantwoording af te leggen of een alternatief uit te denken, maar het moet niet gratuit zijn: ik wil iets veranderen door een andere kijk op iets bekends te geven. Dus dan moet het verhaal goed zijn en goed gespeeld worden. Dan kun je meegaan met de redeneringen van de personages. En dan wil ik ook dat het door een zo groot mogelijk publiek gezien wordt.”

Valangst is te zien in Bellevue op 14 en 15/3 www.matzer.org
Boiling Frog
is te zien in Frascati van 10-14/4 www.oostpool.nl

Brandhaarden: Münchner Kammerspiele in Amsterdam

Donderdag aanstaande begint een van de grootste projecten in de Stadsschouwburg van de afgelopen jaren: het volledige Duitse gezelschap Münchner Kammerspiele strijkt bijna een week lang neer in Amsterdam. Het gezelschap, sinds 2010 onder leiding van de Nederlandse regisseur Johan Simons, speelde al eerder hier (o.a. Hotel Savoy en Drei Farben), maar nu wordt de manier van werken van het Duitse stadstheatersysteem in Amsterdam uitgeprobeerd. En dan komt meteen de vraag op: moeten we zoiets hier ook willen?

De voordelen zijn duidelijk. Het betekent twee nieuwe voorstellingen per dag en een uitgebreid randprogramma met liedjes, lezingen, talkshows en een Biergarten. In het weekend is er programma van half tien ’s ochtends tot één uur ’s nachts. Je zou kunnen zeggen: alle dagen festival.

De grote voorstellingen die de Kammerspiele hier brengt hebben allemaal een Nederlands of Vlaams tintje: Johan Simons nam een aantal acteurs mee van zijn laatste gezelschap NT Gent, en nodigt Nederlandse regisseurs uit om nieuw werk te komen maken.

Van Simons zelf zijn twee voorstellingen te zien. Winterreise is een nieuwe, persoonlijke tekst van Elfriede Jelinek over ouders en kinderen, waaraan Simons zelf zijn eigen levensgeschiedenis verbindt: we zien beelden van de Watersnoodramp uit 1953 en Katja Herbers speelt een aandoenlijk klompendansend jochie met een hazenlip als ode aan Simons’ vader.

Begin volgende week speelt Gesäubert/Gier/4.48 Psychose, een recente voorstelling waarin Simons iets doet dat veel regisseurs willen, maar slechts weinigen voor elkaar hebben gekregen: het spelen van een serie teksten van de Engelse toneelschrijfster Sarah Kane op één avond. De manier waarop Simons lichtheid in het gewelddadige, rauwe en nihilistische werk van Kane heeft gekregen oogste veel lof en de voorstelling werd uitgekozen voor het aankomende Theatertreffen in Berlijn als een van de tien beste van het afgelopen jaar.

Een publiekstrekker is de toneelbewerking van Visconti’s film Ludwig II, door Ivo van Hove van Toneelgroep Amsterdam, met Jeroen Willems in de titelrol. Het was een pikant project, want Ludwig is een icoon in Beieren. De gevreesde (of eigenlijk stiekem gewenste) rel bleef echter uit en de voorstelling bleek een mooi drama over kunst en macht, met Willems als prachtig ongrijpbare sprookjesprins.

Minder bekend, maar zeker de moeite waard is het vrolijk maffe, maar intens melancholieke Ruf der Wildnis van de Letse regisseur Alvis Hermanis, een theatervoorstelling voor vijf acteurs en vijf honden. Hermanis en zijn acteurs baseerden zich op de roman Call of the wild van Jack London, over een sledehond die in de wilde natuur van Alaska de wolf in zichzelf terugvindt en verbonden dat met verhalen van hondenbezitters die langzaam veranderen in hun eigen huisdier. In de mime-achtige voorstelling spelen de Vlaamse acteurs Benny Claessens en Kristof van Boven fysieke prachtrollen.

In het randprogramma vallen twee voorstellingen over de Tweede Wereldoorlog op. In Leben und Schicksal leest actrice Hildegard Schmahl in het Goethe Instituut een hoofdstuk uit Vasili Grossmans ontzagwekkende, en tot kort geleden onontdekte oorlogsroman Leven en Lot, met muziek van Reinbert de Leeuw en Vera Beths. Daarnaast zijn twee ‘afleveringen’ te zien van het feuilleton Hotel Europa, gebaseerd op Geert Mak’s In Europa. Geen lezingen in de traditionele zin, maar avonden met boeken, muziek, improvisaties en wijn.

Tenslotte is er nog een kindervoorstelling van het gezelschap te zien (De kleine Janneman) en vertellen twee van de met Simons naar München meegereisde acteurs, Benny Claessens en Çigdem Teke over hun ervaringen in optredens onder de naam Kollektiv, Kollektiv.

Kortom, er wordt een ongekende theatrale rijkdom en pracht tentoon gespreid. En vrijwel het voltallige ensemble van de Kammerspiele is aanwezig. Maar moet Amsterdam een vergelijkbaar instituut willen?

De vraag is niet wat het kost, maar wat je ervoor zou moeten inleveren. Je kunt Toneelgroep Amsterdam en de Stadsschouwburg samenvoegen en de subsidie verdubbelen, dan zit je ongeveer aan het budget van de Münchner Kammerspiele, maar voor dat geld raak je in Amsterdam een enorme hoeveelheid theater kwijt: Orkater, Het Toneel Speelt, Frascati, Dood Paard, Mugmetdegoudentand, Bellevue, MC en Discordia bijvoorbeeld, om nog maar te zwijgen van al het jeugdtheater en de wijkvoorzieningen.

In de meeste Duitse steden wordt met afgunst gekeken naar het enorm uitgebreide podiumkunstaanbod in Amsterdam, en (in tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt) ook naar de publieke belangstelling. Wie wel eens in München naar het theater gaat, kan zien waarom: het publiek bestaat louter uit gegoede burgerij en een paar studenten. In Nederland is het zowel het aanbod als het publiek oneindig veel diverser.

Kortom, het zal bijzonder aangenaam zijn om een week lang te smullen van het allerbeste dat een Duits stadsgezelschap ons te bieden heeft. Maar laat het ons niet al te zeer jaloers maken.

Brandhaarden, de Münchner Kammerspiele in de Stadsschouwburg: 15 t/m 20 maart. Meer info op www.ssba.nl

« Vorige paginaVolgende pagina »
This work is licensed under a Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
(c) 2025 Simber | powered by WordPress with Barecity